De uitslag van het ontlastingsonderzoek

Bij de beoordeling van het ontlastingsonderzoek moet met veel componenten rekening worden gehouden. Er kunnen bijvoorbeeld gelijktijdig verschillende verteringsstoornissen optreden. Het kan ook zijn dat er rekening moet worden gehouden met grote beschadigingen in het darmslijmvlies. Er wordt ook gekeken of er sprake is van een teveel aan schimmels.

Darmflora opbouw Vandaar dat het opbouwen van de darmflora -zoals bijvoorbeeld het opheffen van een dysbiose- gepaard gaat met meerdere punten die tegelijkertijd aangepakt moeten worden. Die gelijktijdige aanpak op meerdere fronten zorgt dat de darmflora zo snel mogelijk op orde komt. (de kuur duurt gemiddeld 2 maanden). Enkele onderdelen van deze opbouw zijn:

1. Bestrijding van de 'overall flora depressie' en/of het teveel aan schimmels 'Overall flora depressie' is het verschijnsel dat de darmflora over de gehele linie tekortkomingen vertoont.

Een voedingsbodem maken voor goede aerobe en anaerobe darmbacteriën en het aanvullen van meerdere van deze goede bacteriën. U kunt denken aan het eten van voldoende vezels (groente, fruit) en het innemen van Inuline (zie hierover verderop) en aan het aanvullen van Probiotica (met een samenstelling van die bacteriën die bij u ontbreken dan wel verlaagd zijn.) 2. pH-Herstel of -behoud Door de juiste zuurtegraadwaarden (pH-waarden) in de darm wordt de groei van vooral lichaamseigen anaerobe darmflora gestimuleerd. Daardoor wordt de immunologische rol van de darmflora ondersteund.
Na 6 tot 8 weken is een nieuwe controle voor de ontlasting nodig.
De spijsverteringsenzymen kunnen hierdoor ook beter gaan werken. Tevens wordt het herstel van het darmslijmvlies bereikt. U kunt denken aan speciale voedingsadviezen die nodig zijn voor het bevorderen van de goede aanhechting van de juiste bacteriën en aan preparaten die voor een goede aanhechting van de bacteriën zorgen, of een preparaat met enterococcen en/of escheria coli.3. Vertering ondersteunen Met speciale voedingsadviezen die de vertering ondersteunen of preparaten die dit doen kunt u de vertering verbeteren. Afhankelijk van het teveel van de bacteriesoort(en) kunt u als advies krijgen: 

  • Bij de lipolytische soort (bijvoorbeeld Clostridium): hiervoor geldt een vetbeperking.
  • Bij de proteolytische soort (bijvoorbeeld Pseudomonas): hiervoor geldt een eiwitbeperking (voornamelijk dierlijke eiwitten).
  • Bij de saccharolytische soort (bijvoorbeeld bij verlaging van de Bifido en aanwezigheid van schimmels): hiervoor geldt een strenge koolhydraatbeperking.

4. Prebiotica De in de darm levende bacteriën zijn voor een groot gedeelte afhankelijk van voedingsvezels. Er zijn twee soorten vezels: wateroplosbare en niet-wateroplosbare. Onder de wateroplosbare vezels vallen onder andere inuline, pectine en (haver)zemelen. Onder de niet-wateroplosbare cellulose.

De wateroplosbare vezels noemt men gezien zijn chemische structuur niet-zetmeel polysacchariden (NSP's). De dunne darm kan deze groep stoffen niet opnemen (resorberen).  Daardoor staan ze volledig ter beschikking van de darmflora in de dikke darm. Meer over de bijzondere effecten  van inuline en hoe inuline weer goed is voor de bifidobacterie leest u in het onderdeel Inuline en prebiotica.

Doorsturen
Stuur deze informatie per email door